Ik maak me al geruime tijd zorgen over de actieve samenwerking met de Mormonen, met name omdat ik het geen goede ontwikkeling vindt dat de Mormonen op grote schaal Nederlandse archiefbestanden digitaliseren en op hun website zetten met het doel overleden mensen postuum te dopen. Aan de publicatie van deze bestanden worden geen beperkingen in de tijd gesteld. De Mormonen mogen de bestanden voor eeuwig publiceren, hetgeen ook betekent dat archiefstellingen deze veelgevraagde akten nooit meer zelf tegen kostprijs kunnen leveren.
Veel collega's realiseren zich dat er ethische bezwaren aan samenwerking met de Mormonen kleven, maar bekijken de samenwerking vooral vanuit bedrijfseconomische, wettelijke en dienstverlenende invalshoek. De Mormonen betalen en werken mee aan de digitalisering en indexering van de akten van de Burgerlijke Stand. Dat bespaart kosten en leidt tot snellere beschikbaarstelling op internet en dus tot een betere dienstverlening aan de burger en nog gratis ook, want de Mormonen rekenen geen kosten voor raadpleging en downloaden. Artikel 14 van de Archiefwet verplicht bovendien tot meewerken, want daarin staat dat iedereen het recht heeft op het (doen) maken van kopieën. Kortom, volgens de collega’s een win-win situatie voor iedereen.
Echter, het is al eerder opgemerkt, in artikel 14 staat niet dat archivarissen actief moeten samenwerken met andere organisaties. Niet met commerciële organisaties zoals Google, en ook niet met geloofsgemeenschappen zoals de Mormonen, Jehovah's of Moslims. Ook impliceert artikel 14 niet dat organisaties een eeuwigdurende licentie moeten krijgen voor publicatie op internet. Het is daarom de vraag of artikel 14 nog wel van deze tijd is. Het artikel stond al in de Archiefwet van 1918 en is in de Archiefwetten van 1962 en 1995 niet gewijzigd. 1995 lijkt dichtbij, maar ook in 1995 had de wetgever nog niet de massale digitale mogelijkheden van reproductie en terbeschikkingstelling voor ogen, zoals we die nu kennen en zoals die door wereldwijd opererende organisaties als de Mormonen en Google worden toegepast.
Wetten moeten van tijd aan tijd aan nieuwe ontwikkelingen en opvattingen worden aangepast. Ik noem twee belangrijke effecten van de toegenomen digitale mogelijkheden:
1. De drempels in de raadpleging zijn geslecht. Was het in 1995 nog nodig persoonlijk naar een archiefdienst toe te komen, met z'n beperkte openingstijden, om na raadpleging van inventarissen en ingewikkelde indexen (tienjarentafels) microfilms van de Burgerlijke Stand te bekijken, nu kan de onderzoeker uiterst eenvoudig en onafhankelijk van tijd en plaats de gewenste gegevens raadplegen en in veel gevallen de scans downloaden.
2. Indertijd ging men nog uit van een of meerdere kopieën voor eigen gebruik, onderzoek of publicatie. Nu gaat het om het kopiëren en op internet plaatsen van complete archiefbestanden door wereldwijd werkende organisaties, die eigen doelstellingen hebben die zich niet hoeven te verhouden tot het publieke belang.
Gelet op deze ontwikkelingen en effecten is de vraag gerechtvaardigd of de wetgever zijn uitgangspunten niet opnieuw onder de loep zou moeten nemen. Ook in het licht van de ontwikkelingen rond Open Data is dat verstandig. Is het echt de bedoeling dat overheidsinformatie op grote schaal door derden wordt gekopieerd om die informatie vervolgens op internet te publiceren? Is het verstandig om sensitieve informatie Google-doorzoekbaar op grote schaal drempelloos op internet te zetten, zodat een ieder er mee kan doen en laten wat hij wil? Is het verstandig om - zeker in de huidige tijd van financiële crisis - je "spullen" voor eeuwig digitaal weg te geven?
Voor de manager/archivaris zijn er nog andere redenen om zich terughoudend op te stellen ten aanzien van actieve samenwerking met de Mormonen. Archieven zijn niet het eigendom van de archivaris, maar van de overheid. Dat betekent dat bij belangrijke financiële, organisatorische en bestuurlijke beslissingen niet de archivaris, maar de zorgdrager aan zet is. Bij financiële en organisatorische aangelegenheden is over het algemeen helder tot hoever het mandaat van de manager/archivaris reikt, maar bij bestuurlijke kwesties ligt dat anders en zeker bij sensitieve politiek-bestuurlijke kwesties, zoals deze. De Mormonen zijn een omstreden geloofsgemeenschap, die regelmatig negatief in het nieuws komt door het postuum dopen, polygamie en afwijzing van homosexualiteit. Naar mijn mening is dan de bestuurder aan zet en niet de archivaris. De bestuurder, in mijn geval de burgemeester van Rotterdam, zal er zich immers voor moeten verantwoorden waarom hij actief meewerkt aan het postuum dopen van Rotterdammers. Past dat wel in de scheiding van kerk en staat en is het niet in tegenspraak met artikel 10 van de Grondwet, dat handelt over de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer?
Ik ben al langer van mening dat het wenselijk is een kwestie als deze ten principale te bespreken en zo nodig zowel aan de wetgever als aan de rechter voor te leggen. De actualiteit en het rumoer daarover maken dit mijn inziens nu urgent.
Tot slot, ik heb ook persoonlijke redenen om niet zonder nadere bestuurlijke besluitvorming mee te werken. Artikel 10 van de grondwet lijkt zich te weliswaar te beperken de levenden maar dat neemt niet weg dat het ongevraagd dopen of herdopen van overleden familieleden mensen persoonlijk kan raken. De gedachte dat mijn oma, die overtuigd atheïst was, door de Mormonen postuum zou worden gedoopt, stuit mij tegen de borst. En ik kan mij heel goed voorstellen dat het herdopen van overleden familieleden van andersgelovenden, zoals Katholieken, hen tegen de borst stuit. In dit verband vind ik de zoektocht van Ïngmar Koch naar jurisprudentie over de persoonlijke levenssfeer van de overledenen van belang.
Als de wetgever na rijp beraad vindt dat artikel 14 niet gewijzigd hoeft te worden en ook de burgemeester van Rotterdam van mening is dat actieve samenwerking met organisaties van welke aard dan ook geboden is, zal ik mij uiteraard als een loyale ambtenaar opstellen. Maar dat ontslaat mij niet van de verantwoordelijkheid om mijn verstand te blijven gebruiken en me altijd af te vragen: past het, kan het in de krant en wat zegt de Beroepscode van Archivarissen
erover? Wat de code betreft bieden de artikelen 5, 6 en 7 de nodige aanknopingspunten.
Ik kijk uit naar het gesprek daarover, te beginnen in de ‘eigen kring’ van collega’s.
Wettelijk kader
Archiefwet Artikel 14
De archiefbescheiden die in een archiefbewaarplaats berusten zijn, behoudens het bepaalde in de artikelen 15, 16 en 17, openbaar. Ieder is, behoudens de beperkingen die voortvloeien uit het in die artikelen bepaalde, bevoegd die archiefbescheiden kosteloos te raadplegen en daarvan of daaruit afbeeldingen, afschriften, uittreksels en bewerkingen te maken of op zijn kosten te doen maken.
Grondwet Artikel 10
1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.
Wet bescherming persoonsgegevens
Deze wet beschermt levende personen. Archivarissen gaan uit van een maximale levensduur van 110 jaar.
In de vijfde alinea van dit relaas staat opeens de zinsnede:
BeantwoordenVerwijderen"De Mormonen zijn een omstreden geloofsgemeenschap, die regelmatig negatief in het nieuws komt door het postuum dopen, polygamie en afwijzing van homosexualiteit."
Dit wordt gepresenteerd als feit, terwijl het niet meer is dan een mening. Bovendien een mening die nauwelijks een raakvlak heeft met de problematiek. Tenzij u natuurlijk van mening bent dat mensen die tegen het homohuwelijk zijn uit het archief geweerd moeten worden. Als dat zo is, schrijf dat dan! Dan weten we precies waarom we het archief Rotterdam moeten mijden. Of: alleen toegang wanneer u de polygamietest met goed gevolg hebt doorstaan??
Een beetje in aansluiting op Richard:
BeantwoordenVerwijderenNaast artikel 10 van de Grondwet, zijn er natuurlijk nog meer artikelen die relevant zijn:
Artikel 1 bijvoorbeeld:
"Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan."
Natuurlijk, dit gaat over mensen en niet over organisaties, maar toch...
Of artikel 6:
1.Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
En hoe "omstreden" is de geloofsgemeenschap, als hij gewoon geregistreerd is als Algemeen Nut Beogende Instelling?
Wat ik eerlijk gezegd zorgelijk vind, is het marktperspectief waar je van uit gaat:
Iemand anders mag geen reproducties online zetten, omdat het Gemeentearchief Rotterdam (of "De Nederlandse Archieven" in het algemeen) er dan niets meer aan kunnen verdienen.
Maar het gaat bij overheidsarchieven of "de overheid" in het algemeen toch niet om zelf geld verdienen? Het gaat toch zeker om het faciliteren van het geld verdienen door anderen? Of dat nu Bob Coret, De Ree of zelfs de Mormonen zijn?
En het gaat toch om het bewaren van archieven omdat we het belangrijk vinden om ze te bewaren, niet omdat we er eventueel geld mee kunnen verdienen?
Mij lijkt een discussie over de aanpassing van artikel 14 alleen relevant als dan ook naar alle aspecten, inclusief dat vermaledijde "cultureel ondernemersschap", aan de orde komen.
Organiseer jij het?