
Minister Donner heeft een interessante brief over de WOB aan de Tweede Kamer gestuurd. In zijn brief geeft hij o.a. antwoord op de vraag wat ongewenst gebruik van de WOB is en legt hij geduldig uit waarom Nederland geen haast heeft om het Verdrag van Tromsø (18 juni 2009) te ondertekenen. Ook schrijft hij over de plicht van overheden om informatie uit eigen beweging op een toegankelijke en begrijpelijke aan de burger aan te bieden. “Openbaarheid van overheidsinformatie is immers alleen zinvol wanneer deze informatie vervolgens ook daadwerkelijk vindbaar en toegankelijk is voor burgers”.
Hier wordt het spannend voor archivarissen, want zo schrijft hij, in het belang van het faciliteren van het hergebruik van overheidsinformatie voor allerlei nuttige toepassingen (open data), acht hij het niet langer gewenst dat bestuursorganen gebruiksvoorwaarden stellen aan hergebruik van openbare informatie, zoals de eis van bronvermelding of het vragen van een vergoeding voor de informatie (par. 2.4). Donner spreekt zelfs van ongewenste drempels. De drempels wil hij slechten door alle bestuursorganen, centraal en decentraal, te verbieden nog langer de bij de overheid berustende auteursrechten en aanverwante rechten uit te oefenen en slechts toe te staan dat “ten hoogste de verstrekkingskosten in rekening worden gebracht (dus niet de kosten van het verzamelen van informatie)”. Alleen de reproductie- en verzendkosten mogen nog in rekening worden gebracht.
Wat onder het regime van de WOB geldt, geldt mutatis mutandis natuurlijk ook voor de Archiefwet. Het kan immers niet zo zijn dat informatie die onder de WOB frank en vrij gepubliceerd en hergebruikt kan worden na 20 jaar alsnog aan rechten en gebruiksvergoedingen wordt gebonden. Wat betekent dit voor archivarissen? Wij stellen bij hergebruik (publicatie, tentoonstellingen etc.) de eis van bronvermelding en vragen bovendien – mede ter bestrijding van de kosten van beheer en behoud - een gebruiksvergoeding. Als Donner’s voorstel wet wordt, zal dat straks niet meer kunnen. Als we zijn lijn verder doortrekken, kunnen we straks ook geen kosten voor het verzamelen van informatie meer in rekening trekken. Betekent dat, dat we voortaan gratis genealogisch en ander historisch onderzoek moeten doen? Kan de studiezaalbezoeker ons straks vragen alle relevante stukken en informatie over zijn onderwerp voor hem op te zoeken en op zijn al dan niet virtuele tafel te leggen in plaats van dat hij zelf op zoek gaat in de (online) inventarissen en catalogi? Dat zijn interessante vragen voor de archivaris, maar ook vragen waarover we snel met het ministerie over in gesprek moeten gaan.
Een tweede interessant punt in zijn brief is wat er niet in staat. Donner rept niet over het voornemen om de WOB en de Archiefwet in elkaar te schuiven tot één Informatiewet. Hij gaat nog wel in op het voorontwerp Algemene Wet Overheidsinformatie, maar beperkt zich tot een paar knelpunten die hij wil meenemen in een herziene WOB. Dat is een gemiste kans. De huidige overbrengingstermijn van 20 jaar, met daaraan gekoppeld het recht op inzage in plaats van recht op informatie, is niet meer van deze digitale tijd. De semi-statische fase verdwijnt in rap tempo en dossiers worden na afdoening direct in het e-depot opgenomen. Het records continuüm is werkelijkheid geworden en de mogelijkheden om overheidsinformatie direct actief openbaar te maken zijn fors vergroot. De digitalisering maakt het mogelijk om overbrenging naar een archiefbewaarplaats sneller plaats te laten vinden. Waarom daaraan dan ook niet de directe actieve openbaarheid gekoppeld? Met uitzondering natuurlijk van de echt vertrouwelijke informatie. Het adagium zou moeten zijn openbaar tenzij in plaats niet-openbaar, tenzij.

Dat zal een hoop WOB-verzoeken voorkomen. Archivarissen zorgen er vervolgens voor dat vertrouwelijke informatie vertrouwelijk blijft en geheime informatie geheim. Dat doen ze nu tenslotte ook al.
Overigens roept Donner in zijn brief de overheden op om te onderzoeken hoe WOB-verzoeken efficiënter kunnen worden afgehandeld. Mag mijn voorstel daartoe een aanzet zijn.